Van loodgieter tot bekroond regisseur: hoe Rob Lücker zijn eigen pad koos

Voor het blad VERS Magazine maakte ik rond het Nederlands Film Festival 2016 een lang interview met filmregisseur Rob Lücker over zijn eigenzinnige filmcarrière. Het was tevens één van de weinige keren dat een stuk van mijn hand niet online, maar alleen in print verscheen. Klik hier voor de pdf versie van het stuk.


“Films als Nova Zembla en De Storm zijn gewoon seniel.” Om zijn subtiliteit staat Rob Lücker (39) niet bekend, dat weten kijkers van zijn films Das Wad en Verzet en de tv-serie Rundfunk al langer. De regisseur werkte op zijn 25ste nog als loodgieter, maar is ondertussen een gewaardeerd buitenbeentje in de Nederlandse filmwereld.

Zijn unieke combinatie van een strakke visuele stijl en absurde humor hebben Lücker veel prijzen opgeleverd, met als hoogtepunt een Gouden Kalf voor Das Wad in 2014. Ondertussen heeft hij met Messias een nieuwe One Night Stand-film, en komen in oktober tien nieuwe afleveringen van Rundfunk op tv. Hoog tijd voor een gesprek met de meest gedreven filmmaker van Nederland.

Voel je je als filmmaker het ‘enfant terrible’ van de Nederlandse cinema?
“Ik durf wel te zeggen dat ik een uitgesproken stijl heb. Mijn donkere humor en absurdisme zie ik niet veel in andere films terug, dus in die zin ben ik inderdaad wel een buitenbeentje. Ook probeer ik zoveel mogelijk visueel te vertellen met vaste, gestileerde kaders en met een rustige montage.”

In hoeverre stimuleren de kunstopleidingen zulke eigenzinnigheid?
“Bij de Filmacademie zag ik een hoger niveau dan bij de HKU, maar wel meer van hetzelfde. Bij de HKU waren er meer uitschieters met uitgesproken en bijzondere films. Ik ben daarom uiteindelijk blij dat ik voor deze opleiding gekozen heb, omdat ze me hebben gestimuleerd om hele persoonlijke films te maken. Bij de Filmacademie zijn het meer groepsprocessen en dan moet je maar het geluk hebben dat je je eigen ding kan maken. Maar ik wil niet negatief over de Filmacademie zijn, ik wilde er eerst zelf ook heen. Alleen omdat mijn computer crashte kon ik mijn toelatingsfilm niet op tijd inleveren.”

Wat zou er zijn gebeurd als je op de Filmacademie terecht was gekomen?
“Ik durf dat niet te zeggen. Misschien zou ik het mensen moeilijk hebben gemaakt. Of misschien hadden ze mijn eigenzinnigheid wel heel erg gewaardeerd. Maar als ik kijk wat er gemaakt wordt, dan was dat niet de juiste school voor me geweest. Als je realistisch drama wil maken met een handheld camera – iets wat je op de Filmacademie veel ziet – dan 17 is dat veel makkelijker.”

Maar dat is niet waar jouw interesse ligt.
“Nee. Ik hou van een barokke stijl, van sfeer en kostuums, van fictieve werelden. Voor camera, montage en art direction is de Filmacademie prima. Juist voor regie ben je op de HKU niet eens zo gek af als je wat apartere films wil maken. Die school moet keihard strijden om de dominante positie van de Filmacademie te doorbreken. Ik heb van die underdogpositie zelf ook last gehad. Jaren heb ik leuke scripts ingediend waar niets mee werd gedaan, zelfs nadat ik een aantal prijzen had gewonnen.”

Wat heeft jouw heilig vuur voor de cinema aangewakkerd?
“De liefde voor film is er zolang ik me kan heugen. Op mijn zesde keek ik al James Bond-films, zeker drie per dag. Das Boot, Mad Max, Once Upon a Time in the West, ik moest het allemaal zien. Mijn broer en ik waren grote afnemers van de videotheek in Tegelen, al had deze vooral Amerikaanse films. Maar mijn broer heeft me ook naar andere films laten kijken. ‘Nu heb je Die Hard wel genoeg gezien’, zei hij dan, ‘laten we iets anders kijken’. Vaak werden dat dan films met meer psychologische ontwikkeling.”

Hoewel de filmfan in Rob al vroeg werd geboren, had hij nooit het idee om zelf films te gaan maken. Op school kon hij niet goed leren en ontbrak het hem aan zelfvertrouwen. Op zijn 24ste zit hij nog steeds op de MTS, tot zijn grote spijt. Als het dan ook nog uit gaat met zijn vriendin, staat zijn leven even helemaal stil. Vanaf dat moment neemt hij zich voor om alleen te doen wat hij tof vindt en alles aan de kant te zetten voor dat ene heilige doel: de film.

Als ‘simpele boer uit Tegelen’ – Rob’s eigen woorden – vertrekt hij naar Amsterdam. Hij werkt eerst als installateur bij een loodgieter en in zijn vrije tijd werkt hij aan filmpjes. Eenmaal op de HKU voelt hij zich als een vis in het water. Waar hij moeite had met het afronden van het MBO, gaat het hem op de kunstopleiding gemakkelijk af. Voor het eerst krijgt hij stof die hem boeit.

Was er niemand in Tegelen die zag dat je eigenlijk heel creatief was?
“Als ik op een Montessorischool in Amsterdam had gezeten, dan hadden docenten wel talenten bij mij ontdekt en mij in de goede richting gestuurd. In Tegelen werd dat niet goed gezien, terwijl ik goed in tekenen en toneelspelen was. Ik heb zelf misschien wel geweten dat ik een gevoelig en creatief persoon ben, maar nooit gedacht dat ik met deze creativiteit iets kon doen. Toen ik op mijn 24ste de stap nam, voelden de jaren ervoor wel als een gemiste tijd, al heeft het krijgen van genoeg zelfvertrouwen ook tijd nodig gehad. Maar ik ben altijd uitgegaan van mijn eigen kracht en kwaliteit. Kijk niet teveel om je heen en zorg dat wat je maakt helemaal jouw kleur heeft.”

Kijk je ook naar andere Nederlandse filmmakers of ben je vooral op je eigen ontwikkeling gericht?
“Dat laatste. De Nederlandse film vind ik saai, weeïg en vooral heel lauw. Het spreekt zo weinig tot de verbeelding. Het ‘begeistert’ niet, al zijn er natuurlijk uitzonderingen. Iemand als Alex van Warmerdam was wel een voorbeeld, al vind ik het jammer dat het vanaf Abel niet in één rechte lijn naar boven is gegaan. Bij jonge makers is er wel wat aan het broeien. Met Michiel ten Horn, Sam de Jong, en Arne Toonen voel ik zeker verwantschap.”

Houd je nog wel bij wat er uitkomt aan Nederlandse producties?
“Ik ben na Het Bombardement gestopt met het kijken naar Nederlandse films. Het is een rij van draken en dramavehikels. Nietszeggende bullshit. De arthouse vind ik ook slappe meuk, moeilijk doen om een klein elitair gegeven. Vertel in godsnaam een verhaal. Kijk dan naar hoe François Ozon Swimming Pool heeft gemaakt en hoe spannend zo’n film is. Of wat Lars von Trier en Michael Haneke doen. Dat wil ik wel zien. Commerciële films als Nova Zembla en De Storm zijn gewoon seniel. Wat Johan Nijenhuis maakt is drek, dat vind ik prima. Het heeft geen pretentie. Maar dingen die wel pogen iets te zijn, schieten hopeloos tekort. Het is allemaal zo niks. Maak het spannend, geef het bite en durf je eigenheid te laten zien. Ik weet dat ik ook eerst maar eens een fatsoenlijke speelfilm moet zien te maken, maar ik vind het wel. Ik zeg het dan ook als filmliefhebber, niet als gefrustreerde filmmaker.”

Hoe zit het met je ambitie voor een lange speelfilm?
“Die is er zeker, dat is de absolute droom. Ik zou graag een film als No Country for Old Men of Once Upon a Time in the West willen maken. Waarschijnlijk gaat dat niet in Nederland gebeuren, ook omdat het landschap hier me niet echt uitdaagt. De budgetten trouwens ook niet. Maar goed, mis- schien vind ik iets wat Nederlanders aanspreekt. De stadhoudersbrief die Prins Bernhard aan Hitler zou hebben geschreven kan een mooi onderwerp zijn voor een spionagethriller. Qua stijl denk ik dan aan een combinatie van James Bond en Kui e, net als in de stripboeken van Agent Orange.”

Waar komt je obsessie met Duitsland en de Tweede Wereldoorlog eigenlijk vandaan? In Verzet, Das Wad en Rundfunk stikt het van de valse Duitsers.
“Ik vind de Tweede Wereldoorlog een fascinerend en spectaculair gebeuren. Dat zoiets duivels als Nazi- Duitsland zo mooi aangekleed kon zijn. En dat is bij de Rooms-Katholieke Kerk [het onderwerp van Lückers nieuwe film Messias, red.] exact hetzelfde. Als je kijkt naar de decadentie, macht en versiering, dan zijn er veel overeenkomsten tussen de twee. Beiden willen je bedwelmen en je maar één kant op laten kijken. Al gaat het mij meer om de absurditeit van de omvang en het feit dat ze zichzelf zo serieus nemen. Het inspireert mij om daar grappen over te maken.”

In Verzet zit een harde grap over vergassen en in Messias, je nieuwe One Night Stand-film, wordt een Zwarte Piet-figuur als slaaf behandeld. Zit een deel van de lol ook in het tegen schenen aan schoppen?
“Als het op een artistiek verantwoorde manier gebracht wordt en in de context past, dan vind ik dat de sky de limit is. Het is de kunst om niet lukraak lomp te provoceren. Ik heb zelf het idee dat ik een vorm heb ontwikkeld waar mensen uit alle windstreken om kunnen lachen. Met humor en zelfspot sla je ook eerder een brug naar elkaar. Ik snap dat veel Nederlanders de traditie willen beschermen, maar Zwarte Piet is gewoon een Afrikaanse slaaf die we hebben uitgebuit. Toch wil ik er niet te serieus in zijn. Ik wil gewoon mensen vermaken.”

Maar dan wel met een zwartkomische blik.
“Dat klopt, ik zoek het ironische perspectief op. Mensen proberen continu iets van het leven te maken, maar het gaat meestal genadeloos mis. Ik zie daar de humor van in. Ik ben zeker geen sadist, maar ik vind het grappig als het mensen tegenzit. Deze tragiek inspireert mij, dat soort films wil ik maken.”